Wederom koude stralen uit de douchekop, maar deze sloegen echt alles. Ik dacht dat ik ze ondertussen wel in alle richtingen gezien had, maar douchestralen die zonder omweg je plafond nat maken, moest ik dus nog aan het lijstje toevoegen. Pal onder de kop stond ik, maar no way dat er ook maar één eigenwijze druppel op mijn lijf landde. Maar ik mocht niet klagen: ik had een douche. Dat was al heel wat in vergelijking met wekenlang het doucheprincipe imiteren met lekkende bekertjes en emmers oud water waar verzopen mugjes in ronddreven. In Thailand is stromend water blijkbaar zo schaars niet als aan de andere kant van de Zuid-Chinese zee. Ik mocht blij zijn, en ik sprong, boog en bukte alle kanten op om wat waswater te ontvangen. Met een minihanddoekje veegde ik daarna die paar natte plekken weer droog. Ik was ‘schoon’. ‘Schoon’ voor backpackbegrippen.
Ik trok de vers aangeschafte, weliswaar onafgedongen, Balmainkopietjes over mijn enkels en ik hees mezelf mijn onverwoestbare spijkerbroek in. Lonely Planet onder de arm, de hete buitenlucht in. Vandaag ging ik doelloos rondlopen, willekeurige straatjes inslaan, Bangkok beter leren kennen. Tussendoor plukte ik hier en daar wat curries en plakkerige pastries van de straatcuisines uit pure nieuwsgierigheid, niet per se eetlust. Binnen een kwartier sloeg de sfeer om. De reisbureaus, ontelbare pinmachines, souvenirshops en tostiterrassen liet ik achter me, terwijl ik gore muren tegemoet liep. Déjà in Manilla vu: kindjes op blote bezweerde voetjes pluisten vuilniszakken uit met hun vieze vingertjes. Magere moeders hielden pasgeborenen dicht tegen zich aan, met de ruggegraat leunend tegen urinegeurende beschuttingen, neergezakt op oude lottoposters. Voor het eerst in Bangkok werd ik nagekeken, blijkbaar was er dus toch nog een touristproof buurtje overgebleven. Een halfkale hond wilde aan me snuffelen, ik wist niet hoe gauw ik aan de vliegenfamilie moest ontsnappen. Op een bruggetje bleef ik stilstaan om te kijken naar de tonnen gedumpte afval in de droogstaande rivier. Wapperende repen blauw plastic, leeggelikte zakjes Lays. Ik hield een tuktuk aan.
‘s Avonds overdacht ik hongerloos de indrukken bij een bord Pad Thai. Een Zwitserse rechtenstudent nam tegenover me plaats, ‘do you wanna go clubbing?’. Ik herkende deze aanpak, ik had hem zelf in Singapore ook toegepast: je snakt naar een feestje, maar wilt geen meelijwekkend eenzame entree maken. ‘Sure!’, en we stopten een taxi. ‘Supperclub’ was zijn plan, we betaalden een belachelijke toegangsprijs. Twee rijen reusachtige spierwitte matrassen omarmden de dansvloer, die haast spleet van de upper class naaldhakken. Jurkjes had ik nog nooit zo kort gezien, dure zonnebrillen werden niet afgezet. De enige locals hier waren gillende Thaise meisjes, dronken hangend aan een Europees overhemd. Een zo’n overhemd sprak me aan vanaf zijn VIP-kussen, vanachter drie halflege vodkaflessen. Uit Parijs kwam hij, bleef een weekje binnen deze landsgrenzen. ‘I LOVE THAILAND!’, riep hij toen boven dj Garrauds kunsten uit. Tja, dat geloof ik graag…

(23 januari 2010, TXT-pagina, Dagblad Kennemerland, Noordhollands Dagblad)


(Foto’s van Chinatown, de Chinese buurt in Bangkok)